Lijst en beknopte beschrijving van de voorwaarden:
Het UEA, waarmee de ondernemer verklaart dat hij zich niet bevindt in een van de onderstaande uitsluitingssituaties als bedoeld in de artikelen 67 tot 69 van de Wet van 17.6.2016: verplichte uitsluitingsgronden (art. 67 van de Wet en art. 61 KB Plaatsing):
Veroordeeld zijn door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis voor:
1. deelname aan een criminele organisatie;
2. omkoping;
3. fraude;
4. terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten, dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van een dergelijk misdrijf of strafbaar feit;
5. witwassen van geld en financiering van terrorisme;
6. kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel;
7. het tewerkstellen van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
De aanbestedende overheid behoudt zich het recht voor om van de verplichte uitsluiting af te wijken in geval van dwingende redenen van algemeen belang.
Uitsluitingsgrond fiscale en sociale schulden (art. 68 van de Wet en art. 62 en 63 KB Plaatsing)
1. niet voldaan hebben aan zijn verplichtingen tot betaling van belastingen;
2. niet voldaan hebben aan zijn verplichtingen tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen.
Facultatieve uitsluitingsgronden (art. 69 van de Wet)
1. de verplichtingen van de in art. 7 van de Wet genoemde verplichtingen op het vlak van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht geschonden hebben;
2. in staat van faillissement of van vereffening verkeren, zijn werkzaamheden hebben gestaakt, een gerechtelijke reorganisatie ondergaan, of aangifte hebben gedaan van zijn faillissement, een procedure van vereffening of gerechtelijke reorganisatie ondergaan, of in een vergelijkbare toestand verkeren ingevolge een soortgelijke procedure die bestaat in andere nationale reglementeringen;
3. in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout hebben begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken;
4. handelingen hebben gesteld, overeenkomsten hebben gesloten of afspraken hebben gemaakt, die gericht zijn op vervalsing van de mededinging in de zin van art. 5, lid 2 van de Wet;
5. betrokken zijn in een belangenconflict in de zin van art. 6 van de Wet dat niet effectief kan worden verholpen met andere minder ingrijpende maatregelen;
6. wegens eerdere betrokkenheid van de kandidaat/inschrijver bij voorbereiding van de plaatsingsprocedure heeft zich een vervalsing van de mededinging voorgedaan als bedoeld in art. 52 van de Wet die niet met minder ingrijpende maatregelen kan worden verholpen;
7. blijk gegeven hebben van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift tijdens een eerdere overheidsopdracht, een eerdere opdracht met een aanbesteder of een eerdere concessieovereenkomst en dit heeft geleid tot het nemen van ambtshalve maatregelen, schadevergoedingen of andere vergelijkbare sancties;
8. zich in ernstige mate schuldig hebben gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van informatie die nodig is voor controle op het ontbreken van uitsluitingsgronden of de naleving van de selectiecriteria, of hij informatie heeft achtergehouden, of niet in staat was de ondersteunende documenten die vereist krachtens art. 73 en 74 van de Wet voor te leggen;
9. getracht hebben om het besluitvormingsproces van de aanbestedende overheid onrechtmatig te beïnvloeden, om vertrouwelijke informatie te verkrijgen die onrechtmatige voordelen in de plaatsingsprocedure kan bezorgen, of om verwijtbaar misleidende informatie te verstrekken die een belangrijke invloed kan hebben op de beslissingen inzake uitsluiting, selectie en gunning.
* Het UEA, waarmee de ondernemer verklaart dat hij zich niet bevindt in een van de uitsluitingssituaties als bedoeld in de artikelen 67 tot 69 van de wet van 17.6.2016.